Boeddhisme en vlees eten

Wat de Boeddha zei over vlees eten

Ajahn Brahmavamso

Sinds het prille begin van het Boeddhisme, meer dan 2500 jaar geleden, zijn Boeddhistische monniken en nonnen afhankelijk van aalmoezen. Het was, en is nog steeds, verboden om hun eigen voedsel te verbouwen, hun eigen proviand op te slaan of hun eigen maaltijden te bereiden. In plaats daarvan maakten zij elke ochtend hun dagmaaltijd van wat hen door leken-medestanders vrijelijk werd gegeven. Of het nu rijk voedsel was of grof voedsel, heerlijk of afschuwelijk smakend, het moest met dankbaarheid worden aanvaard en gegeten worden als medicijn. De Boeddha stelde verschillende regels op die monniken verboden te vragen om het voedsel dat zij lekker vonden. Het gevolg was dat zij precies dat soort maaltijden kregen dat gewone mensen aten – en dat was vaak vlees.

Ooit ging een rijke en invloedrijke generaal met de naam Siha (wat ‘Leeuw’ betekent) op bezoek bij de Boeddha. Siha was een beroemde lekenaanhanger van de Jain monniken geweest, maar hij was zo onder de indruk en zo geïnspireerd door de leringen die hij van de Boeddha hoorde, dat hij zijn toevlucht nam tot de Drievoudige Gem (d.w.z. hij werd boeddhist). Generaal Siha nodigde daarop de Boeddha, samen met het grote aantal monniken dat hem vergezelde, uit voor een maaltijd in zijn huis in de stad de volgende ochtend. Ter voorbereiding van de maaltijd droeg Siha een van zijn dienaren op om op de markt wat vlees te kopen voor het feestmaal. Toen de Jain monniken hoorden van de bekering van hun vroegere beschermheer tot het boeddhisme en van de maaltijd die hij voor de Boeddha en de monniken bereidde, waren zij enigszins gepikeerd:

“Op dat moment nu waren vele Nigantha’s (Jain monniken), zwaaiend met hun armen, aan het jammeren van wagenweg tot wagenweg, van dwarsweg tot dwarsweg in de stad: ‘Vandaag wordt van een vet beest, gedood door Siha de generaal, een maaltijd gemaakt voor de kluizenaar Gotama (de Boeddha), de kluizenaar Gotama maakt gebruik van dit vlees in de wetenschap dat het met opzet voor hem is gedood, dat de daad om zijnentwil is verricht’…” .

Siha maakte het ethische onderscheid tussen het kopen van reeds voor verkoop bereid vlees en het opdracht geven tot het doden van een bepaald dier, een onderscheid dat voor veel westerlingen niet voor de hand ligt, maar dat in de leer van de Boeddha zelf steeds weer terugkomt. Vervolgens, om het standpunt over vlees eten aan de monniken te verduidelijken, zei de Boeddha:

“Monniken, ik sta jullie vis en vlees toe die in drie opzichten heel zuiver zijn: als ze niet gezien, gehoord of vermoed worden opzettelijk gedood te zijn voor een monnik. Maar u moet niet willens en wetens gebruik maken van vlees dat opzettelijk voor u is gedood.”

Er zijn vele plaatsen in de boeddhistische geschriften die vertellen over de Boeddha en zijn monniken die vlees aangeboden kregen en het aten. Een van de interessantste van deze passages komt voor in het inleidende verhaal bij een totaal ongerelateerde regel (Nissaggiya Pacittiya 5) en de opmerking dat het vlees zuiver bijkomstig is ten opzichte van het hoofdthema van het verhaal benadrukt de echtheid van de passage:

Uppalavanna (wat betekent ‘zij van de lotusachtige teint’) was een van de twee belangrijkste vrouwelijke discipelen van de Boeddha. Zij werd tot non gewijd toen zij nog een jonge vrouw was en werd spoedig volledig verlicht. Behalve dat zij een arahant (verlichte) was, bezat zij ook verschillende paranormale krachten, zozeer zelfs dat de Boeddha haar op dit gebied de eerste van alle vrouwen noemde. Eens, toen Uppalavanna ’s middags alleen mediteerde in het ‘Blindenbos’, een afgelegen bos buiten de stad Savatthi, kwamen er dieven voorbij. De dieven hadden zojuist een koe gestolen, geslacht en ontsnapten met het vlees. Toen hij de rustige en serene non zag, stopte het hoofd van de dieven snel wat van het vlees in een bladerzak en liet die voor haar achter. Uppalavanna raapte het vlees op en besloot het aan de Boeddha te geven. De volgende morgen vroeg, nadat zij het vlees had laten klaarmaken, steeg zij op en vloog naar de plaats waar de Boeddha verbleef, in het bamboebos buiten Rajagaha, meer dan 200 kilometer hemelsbreed (of non?)! Hoewel er geen specifieke vermelding is van de Boeddha die dit vlees ook werkelijk heeft gegeten, zou een non van zo’n hoog niveau natuurlijk zeker hebben geweten wat de Boeddha at.

Echter zijn er enkele vleessoorten die specifiek verboden zijn voor monniken om te eten: mensenvlees, om voor de hand liggende redenen; vlees van olifanten en paarden, omdat deze toen als koninklijke dieren werden beschouwd; hondenvlees – omdat dit door gewone mensen als walgelijk werd beschouwd; en vlees van slangen, leeuwen, tijgers, panters, beren en hyena’s – omdat men dacht dat iemand die zojuist het vlees van zulke gevaarlijke jungledieren had gegeten, zo’n geur verspreidde dat het wraak zou uitlokken van dezelfde soort!

Tegen het einde van het leven van de Boeddha probeerde zijn neef Devadatta zich de leiding van de Orde der monniken toe te eigenen. Om de steun van andere monniken te winnen, probeerde Devadatta strenger te zijn dan de Boeddha en Hem als toegeeflijk voor te stellen. Devadatta stelde aan de Boeddha voor dat alle monniken voortaan vegetariërs zouden zijn. De Boeddha weigerde en herhaalde nogmaals het voorschrift dat hij jaren eerder had vastgesteld, dat monniken en nonnen vis of vlees mogen eten zolang het niet afkomstig is van een dier waarvan het vlees specifiek verboden is, en zolang zij geen reden hadden om aan te nemen dat het dier speciaal voor hen geslacht was.

De Vinaya is dus heel duidelijk over deze kwestie. Monniken en nonnen mogen vlees eten. Zelfs de Boeddha at vlees. Helaas wordt het eten van vlees door westerlingen vaak gezien als een uitspatting van de monniken. Niets is minder waar – ik was drie jaar lang een strikte vegetariër voordat ik monnik werd. In mijn eerste jaren als monnik in Noordoost-Thailand, toen ik dapper menig maaltijd van kleefrijst en gekookte kikker (met botten en al) onder ogen kreeg, of rubberachtige slakken, rode-antcurry of gefrituurde sprinkhanen – ik zou ALLES gegeven hebben om weer vegetariër te zijn! Op mijn eerste Kerstmis in N.E. Thailand kwam een Amerikaan het klooster bezoeken, een week of wat voor de 25e. Het leek te mooi om waar te zijn, hij had een kalkoenboerderij en ja, hij begreep snel hoe wij leefden en beloofde ons een kalkoen voor Kerstmis. Hij zei dat hij speciaal voor ons een mooie vette zou uitzoeken… en mijn hart zonk. Wij kunnen geen vlees aanvaarden wetende dat het speciaal voor monniken werd gedood. We weigerden zijn aanbod. Dus moest ik genoegen nemen met een deel van de maaltijd van de dorpeling – weer kikkers.

Monniken mogen geen keuze maken als het op voedsel aankomt en dat is veel moeilijker dan vegetariër zijn. Toch kunnen we vegetarisme aanmoedigen en als onze leken-aanhang alleen vegetarisch voedsel meebrengt en geen vlees, wel… dan mogen de monniken ook niet klagen!
Moge u de hint begrijpen en vriendelijk zijn voor dieren.

Book of the Discipline, Vol. 4, p. 324
ibid, p. 325

Ajahn Brahmavamso
(Nieuwsbrief, april-juni 1990, Buddhist Society of Western Australia.)

Zie ook: Boeddhisme en Vegetarisme

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.